|
Waarom de vleermuis onmisbaar bleek bij het vergroten van het luchtruim
Wist je dat de bovengrens van het luchtruim vroeger maar honderd meter boven de aarde lag? Hierdoor was de vliegruimte voor de vogels heel beperkt. Ze probeerden dit te veranderen, maar dat ging niet zo maar. In die tijd hoorde de vleermuis nog bij de vogels, maar niet lang meer. Hoe dat zo gelopen is lees je in dit oude verhaal:
In de beginperiode van de aarde zag de wereld er heel anders uit. In die prille tijd hing de hemel laag. De vogels hadden weinig ruimte om te vliegen. In de smalle luchtstrook was het een drukte van jewelste. Grote vogels als arenden vlogen op dezelfde laagte als de mussen. Zo botste de gier voortdurend zijn hoofd tegen de hemel en kreeg daardoor een kale kop. De gier had er schoon genoeg van en hij riep alle vogels bijeen. Dat werd de eerste keer dat de vogels de koppen bij elkaar staken om een probleem te bespreken. “Als de hemel wat hoger is,” zo sprak de gier, “hebben we veel meer ruimte om te vliegen. Als de grote vogels hoger kunnen vliegen, hebben de kleintjes beneden meer luchtruimte. Ik stel voor dat alle vogels van de hele wereld tegelijker tijd opvliegen en de hemel omhoog duwen. We zijn met vele miljoenen vogels, dat moet toch lukken?!”
De mensen keken verbaasd toen op een dag enorme zwermen vogels in één keer omhoog vlogen en met alle kracht die ze in zich hadden tegen de hemel duwden. Na een kwartier vielen ze uitgeput en teleurgesteld op de grond. De hemel was geen millimeter verschoven. De koning van de vogels, de grote brede arend met zijn scherpe ogen, vloog een poos cirkelend over alle uitgeputte vogels en bulderde: “Doet iedereen wel mee? Ik mis een soort! Waar zijn de vleermuizen?” Alle vogels keken om zich heen en inderdaad, er was geen enkele vleermuis! Die zaten rustig duttend in de warme zon. Alom verontwaardiging. Alle vleermuizen werden gedwongen mee te doen met de laatste poging om de hemel omhoog te duwen. De bijdrage van de miljoenen vleermuizen gaf net dat beetje extra kracht dat nodig was. De hemel kwam krakend los van de beklemming en zweefde toen kilometers omhoog. In de velden en bomen lagen de vogels dagen uitgeteld van de inspanningen te herstellen. Wat waren ze kwaad op die luie vleermuizen met wie het de eerste keer al gelukt zou zijn. Toen koning adelaar uitgerust was, vloog hij naar de vleermuizen en bulderde: “omdat jullie, luie vogels, de eerste keer je plicht hebt verzaakt, horen jullie niet meer bij ons vogels. Voortaan zijn jullie vogel noch landdier. Vanaf nu zijn jullie nachtdieren, zodat jullie nooit meer samen met ons, de echte vogels, gezien worden. En als extra straf slapen jullie voortaan met je kop omlaag, hangend aan de pootjes.”
|

Watervleermuis, foto © Mike Melis (1xklikken=vergroten)
En zo geschiedde, tot op de dag van vandaag.
Doordat
de hemel kilometers hoog kwam, kregen de verschillende soorten vogels
een eigen laag in het luchtruim: de hoenders dicht op de grond, de
eenden, de roodborsten, en de merels een tiental meter daarboven, de
eksters, kraaien en zanglijsters beslaan de laag er boven hoog in de
bomen en de roofvogels en meeuwen bezien de wereld van grote hoogten. En de vleermuizen? Die vliegen nog altijd op dezelfde hoogte als toen, op huis- of boomhoogte en alleen als het donker is. Vleermuizen
zijn vliegende zoogdieren. Ze eten grote hoeveelheden insecten en
nachtvlinders in de duisternis. Ze overnachten in kolonies in holle
bomen, in grote gebouwen als kerken, maar ook graag in spouwmuren. ’s
Winters overwinteren ze graag in grotten omdat daar de temperatuur
constant is, maar ook in grote gebouwen of op zolders.
Hoe
hoog vliegen vogels? Lager dan je denkt. In het dagelijks leven vliegen
de meeste vogels niet boven de 150 meter en de kleintjes komen meestal
niet hoger dan 30-50 m. Roofvogels vliegen hoger, die hebben overzicht
nodig. De Vogelbescherming heeft een overzichtje gemaakt: alleen tijdens
de trek in voor- en najaar vliegen vogels hoger omdat ze gebruik maken
van de thermiek en ook liever in koelere luchtlagen vliegen om minder
vocht te verliezen. Tijdens
de trek vliegen ganzen 6500 meter hoog, bonte strandlopers en
kanoetstrandlopers 7 km hoog, grutto’s en wulpen 6 km, lijsters 3 km,
torenvalken en houtduiven 2100 m, gierzwaluwen en kieviten 1800 m. De
meeste zangvogels trekken tot 1500 m hoogte. Vele standvogels komen in
hun leven niet boven de 150 m
(dit is een bewerking van een verhaaltje dat Herman Kruize heeft gemaild, waarvoor dank)
|